Thursday, September 13, 2007

Uruzgan, je geweten of heb je het geweten?

Ik snap het niet. De meeste politici van vandaag zijn oud genoeg om de verslagen van Michael Herr in het Algemeen Handelsblad te hebben gelezen. Over de Amerikaanse veldslagen, verliezen en hallucinaties in Vietnam. Ook zeer gewaardeerde commentatoren als Hofland&Heldring zijn daarvoor oud genoeg. Zij waren in die tijd ook al commentator en redacteur en misschien wel hoofdredacteur. In hun beschouwingen over blijven of niet-blijven in Uruzgan, geven ze niet een mening, laat staan een mening welke getuigt van historisch besef.

Sinds Michael Herr in de tweede helft van de jaren zestig berichtte over wat er werkelijk aan de hand was in de oorlog in Vietnam, en sinds John le Carré zijn romans schreef, mag eigenlijk niemand meer de berichtgeving over oorlog en terroristische acties direct geloven. En moet iedereen zeer argwanend zijn over de motieven om tot een “oorlog” over te gaan. Of om een stagnerende oorlog of militaire actie te verlengen. Er zijn veel mensen die in een oorlog ginds geloven, om zich thuis veilig te kunnen voelen. Ik ken in de recente historie geen duurzaam succesvolle oorlog, die op andermans territorium is begonnen. Oorlogen op morele gronden, zoals de kruistochten, konden ook niet succesvol worden. Bezie de puinhoop vandaag in en rondom het Heilige Land. Ook dergelijke oorlogen hebben duidelijke, haalbare en meetbare doelen nodig, zoals ook de Twentse emeritus hoogleraar en filosoof Hans Achterhuis in het NRC Handelsblad betoogt (1 september 2007). Nu kun je denken: “Twente? Een filosoof uit Twente?”. Vergis je niet, in technische omgevingen wordt veel en goed nagedacht. Achterhuis beschrijft helder drie principes over de inzet van (oorlogs)geweld die stand hebben gehouden, van de filosofe Hannah Arendt: stel concrete en beperkte doelen, onderscheid macht en geweld, scheid moraal en politiek. Op geen van de drie principes scoort de inzet van Nederlandse troepen in Uruzgan positief, concludeer ik uit de uiteenzetting. Jammer dat Hans Achterhuis verzuimt om zijn conclusies expliciet te verwoorden. Dat lijkt vergelijkbaar met de commentaren van Hofland&Heldring, de eminence grise van het vaderlandse politiek commentaar. Komt dat omdat zij alle drie nog te veel redeneren vanuit een bepaald keurslijf, een bepaalde moraal of set van spelregels? Niet durven zeggen dat onze moraal ook wel eens te ambitieuze projecten voortbrengt, projecten die niet succesvol kunnen zijn?

Michael Herr beschreef wat er in een bizarre en extreme situatie als de oorlog in Vietnam werkelijk gebeurde, anders dan volgens de officiële kanalen. Hoe elke tactisch bedoelde zet door de ongrijpbare vijand altijd anders werd beantwoord dan verdacht. Hoe de Amerikanen zowel letterlijk als figuurlijk steeds verder wegzakten in het moeras. Omdat er altijd genoeg mensen zijn die van oorlog houden, was de roep om te blijven én om meer troepen en materieel, heel lang heel luid. “Want dán kunnen we het pleit beslechten.” Hoe moreel klonk dat. De rode draad van Herr’s reportages was: welke principes je ook hanteert, het is onmogelijk om hier te winnen. Uruzgan is geen moeras, maar net als in Irak, de parallellen zijn er wel. Uruzgan is niet zo erg, niet zo moeilijk, niet zo kwetsbaar als het Khe San van Michael Herr. Dat werd ook nog geplaagd door moesson en jungle en vooral ook mist, mist, mist.

John le Carré geeft al bijna veertig jaar aan hoe de berichtgeving over terroristische acties en de contrabewegingen werkelijk plaatsvindt: variërend van “net even anders weergegeven” tot het totaal tegenovergestelde van wat er in werkelijkheid aan de hand is. Hoewel Le Carré fictie schrijft, hij weet waar hij het over heeft. Elke tien jaar blijkt achteraf hoe zijn meest recente fictie ook de werkelijkheid beschrijft. Dat zou een historicus eens moeten onderzoeken. Naast het feit dat Le Carré briljant kan schrijven natuurlijk.

Ik geloof de berichtgeving over Uruzgan gewoon niet. Dat maakt het wel zo gemakkelijk. Ook omdat veel informatie afkomstig is van of gecensureerd wordt door allerlei diensten. Deze diensten worden nota bene bewust met publiekelijk geld betaald om te liegen, dus waarom zou je ze geloven?

Voor wat betreft Uruzgan: er is geen grondgebied te controleren op de Talibaan of Osama bin Laden. Dat hebben ze namelijk niet, ze oefenen er wel macht over uit maar volgens andere regels. Wij worden hier niet aangevallen door de Talibaan, de Verenigde Staten ook niet. Wij worden niet aangevallen door Osama bin Laden, de Verenigde Staten volgens enkele definities en spelregels wel. In NATO-verband mag je verwachten dat bondgenoten elkaar helpen beschermen als ze worden aangevallen. Dan is “helpen bij de opbouw van de regio Uruzgan in Afghanistan” wel een wat te ver doorgeschoten eufemisme voor “helpen van onze bondgenoot tegen de aanvallen van de Talibaan en Osama bin Laden”. Vooral als niemand weet waar Mr. Bin Laden zich bevindt.

Laat niemand zeggen, noch politici, noch iemand van het leger, dat ze niet hadden kunnen weten van een smadeloze nederlaag en terugtrekking van Nederlandse troepen uit Uruzgan. “Helpen met de opbouw” is in de recente historie een zielloos eufemisme geworden voor kansloze oorlog, zoals vroeger “pacificeren”, politionele acties. In historisch perspectief kun je dergelijk “helpen met de opbouw” bijna altijd een leugen noemen. Ook van concrete, beperkte doelen is geen sprake.

Ik hoop ook niet dat het eventueel zenden van meer troepen “voor de eigen veiligheid” leidt tot een parallel met Khe San. Daar leidde de versterking van Khe San met meer troepen, tot het concentreren van een nog grotere overmacht van de onzichtbare vijand. Het wordt dan makkelijker om een grotere slag toe te brengen aan de minst flexibele partij, in het geval van Uruzgan aan onze Nederlandse troepen dus. Minder flexibel? Wij spelen het spel met andere, meer stringente regels en een andere moraal. De tegenpartij hanteert in elk geval andere regels. In de Tweede Wereldoorlog werden onze verzetsstrijders ook terroristen genoemd. Door de bezetter.

Ergo, onze politici benaderen de vraagstelling “blijven-of-niet-blijven” vanuit het bestaande informatieweb met al haar tradities, moraal en spelregels van het eigen spel. Maar de tegenstander speelt een ander spel met andere spelregels. Wel eens Monopoly of Ganzenbord gespeeld tegen iemand die andere regels hanteert? Juist ja, dat kon je niet winnen. Het gaat er bij oorlogje spelen niet alleen om of je moreel gelijk hebt, je moet ook een kans hebben om te winnen. Je kunt geen overwinning boeken, als er niemand is die volgens jouw spelregels wilt meespelen. Het vereist meer moed om toe te geven dat je iemand níet kunt helpen, in dit geval de bevolking van Uruzgan, dan om door te gaan. Moven dus, uit Uruzgan.

En laat niemand later zeggen “ik heb het niet geweten”. Voorbeelden in de recente geschiedenis te over dat deze oorlog op andermans territorium niet duurzaam succesvol kan zijn. De Russen kunnen er van mee praten. Zij hebben hun eigen Vietnam-trauma’s, van Afghanistan.

Michael Herr, Dispatches, o.a. Alfred A. Knopf, Picador and Pan Books ©Michael Herr, 1968 en daarna.
John le Carré, diverse romans, 1960-2006.
Hans Achterhuis, Denken over geweld: macht, moraal en de wederopbouw van Afghanistan, betoog in het NRC Handelsblad, 1 september 2007.